Ga naar de inhoud

Inrichting van de Woordenlijst

Inrichting van de Woordenlijst

Selectie van de trefwoorden en woordvormen

De Woordenlijst van de Nederlandse Taal bevat eind 2015 ruim 180.000 trefwoorden. In vergelijking met de vorige versie van de Woordenlijst uit 2005 is dat een toename van zo'n 70.000 woorden. In de onlineversie voorzien van de Woordenlijst (woordenlijst.org) zijn deze woorden allemaal te vinden, ruimschoots voorzien van gegevens over afbreking, verbuiging en vervoeging.

Variatie binnen het Nederlands

Zowel in Nederland en Vlaanderen als in Suriname en op de voormalige Nederlandse Antillen wordt het Nederlands in verschillende variëteiten gesproken en geschreven. Dat past bij een samenleving die niet alleen variatie in tijd, maar ook variatie in ruimte respecteert. Onze woordenschat bestaat uit een algemeen deel dat het grootste deel van de taalgebruikers kent of herkent en daarnaast uit een aantal deelverzamelingen die specifiek zijn voor bepaalde groepen taalgebruikers. Een woord als chillen zal vooral door jongeren gebruikt worden, terwijl veel ouderen nog een diploma van de al lang niet meer bestaande hbs in hun bezit hebben. Zo staan ook het Nederlandse 06-nummer, het Vlaamse kassierster, het Surinaamse porknokker en het Antilliaanse chippie in de Woordenlijst broederlijk naast elkaar.

In de loop van de tijd heeft het Nederlands veel woorden aan andere talen ontleend en deze hebben zich voor een groot deel aangepast aan hun nieuwe omgeving. Van een aantal van die woorden weet lang niet iedereen meer dat ze oorspronkelijk niet in onze taal voorkwamen. Dat geldt voor oude leenwoorden als arbeid, boter, muur en wijn, maar ook voor jongere als paraplu, recycleren en sauna. Een aantal leenwoorden heeft echter kenmerken behouden die aan hun herkomst refereren. Dat geldt bijvoorbeeld voor het accent aigu, accent grave en accent circonflexe in woorden als café, scène en enquête, maar ook voor de cedille in reçu en de tilde in mansaliñabos. Naast leenwoorden uit het Engels, kent bijvoorbeeld het Antilliaans-Nederlands veel leenwoorden uit het Papiaments. Ook hierin zijn de oorspronkelijke accenten gehandhaafd gebleven, bijvoorbeeld in biná en hòmber.

Het Nederlands in Suriname kent woorden die zijn gevormd op basis van Nederlandse elementen (bijvoorbeeld muskietenkaars, schoolerf, vuilnisrek), maar ook woorden die geheel of gedeeltelijk aan een van de Surinaamse talen (het Sranantongo, het Sarnami Hindostani en het Surinaams-Javaans) zijn ontleend, de zogenaamde apporten, en woorden die uit het Engels zijn overgenomen.

Apporten behouden in het Surinaams-Nederlands de spelling van hun brontaal. Deze spelling is gebaseerd op de officiële spellingregels voor die talen, die in Suriname zijn vastgelegd in enkele resoluties uit 1986. Dit heeft als gevolg dat de klank [oe] bij alle apporten wordt weergegeven door /u/ (bijvoorbeeld culha, tapu, warung), dat de klank [j] bij woorden uit het Sranantongo wordt weergegeven door /y/ (bijvoorbeeld bigiyari, anyumara), dat de klank [dj] bij woorden uit het Sarnami en het Surinaams-Javaans wordt weergegeven door /j/ (bijvoorbeeld jamun, jaran kepan) en dat de klank [tj] bij woorden uit het Sarnami wordt weergegeven door /c/ (bijvoorbeeld culha). Een aantal apporten kent vanuit de brontaal geen lidwoord of geslacht. In dat geval zijn deze categorieën ook in de Woordenlijst niet ingevuld (bijvoorbeeld bigiyari, moksimeti, wisi).

Samenstellingen die bestaan uit een apport en een woord uit het algemeen Nederlands, worden gespeld volgens de voorschriften voor de talen van herkomst van de samenstellende delen van het woord (bijvoorbeeld dyogofles, manyaboom, tayerblad). Voor de spelling van leenwoorden uit het Engels gelden dezelfde spellingregels als voor de rest van het taalgebied (bijvoorbeeld guesthouse, plane, softdrink). De spelling van woorden die oorspronkelijk uit Suriname afkomstig zijn, maar inmiddels als min of meer ingeburgerd in het Nederlands kunnen worden beschouwd, is vaak vernederlandst (bijvoorbeeld doekoe, mattie, tjappen).

Geschreven taal

Spellingregels zijn per definitie van toepassing op geschreven taal. De laatste jaren zijn er nieuwe vormen van geschreven taal ontstaan die veel weg hebben van opgeschreven gesproken taal. Traditionele schrijfconventies, bijvoorbeeld voor het gebruik van hoofdletters en interpunctie, worden daarin meestal niet toegepast. Ook worden onorthodoxe schrijfwijzen gebruikt waarin bijvoorbeeld cijfers en symbolen de plaats van letters innemen. Zulke spelvormen zijn soms vindingrijk, maar ze vallen buiten het terrein van de officiële spelling. In de Woordenlijst zijn ‘woorden’ als w8en, ff, ;-) dan ook niet opgenomen. Wel zijn enkele ingeburgerde woorden met de uitgang -ie of -ke uit het informele taalgebruik opgenomen, zoals jochie, sjekkie, moeke.

Soorten trefwoorden

Een trefwoord in de Woordenlijst is doorgaans een enkel woord; in een beperkt aantal gevallen is er sprake van een trefwoord dat uit meer woorden bestaat. Sommige van deze combinatietypes geven relatief veel spellingproblemen en daarom zijn ze ruimhartig opgenomen. Het betreft combinaties uit de volgende categorieën:

Vreemdtalige woordgroepen
Soms zijn woordgroepen in hun geheel ontleend aan een andere taal. Dat kan onzekerheid opleveren over het al dan niet aaneenschrijven, of over het eventuele gebruik van een spatie. Enkele voorbeelden: in spe, fait accompli, nasi goreng, an sich, basso continuo, chili con carne, slip of the tongue.

Voornaamwoordelijke bijwoorden
De combinatie van een werkwoord met een bijwoord dat met er- begint, levert vaak een spellingprobleem op. Om die reden zijn veel van zulke combinaties opgenomen. Enkele voorbeelden: eraan toekomen, eraan toe zijn, erdoor drukken, erdoorheen jagen, ervantussen gaan, ervan uitgaan.

Uitdrukkingen met woorden die buiten de uitdrukking niet voorkomen
Een beperkt aantal woorden komt in hedendaags Nederlands niet voor buiten een specifieke uitdrukking. In zulke gevallen is de hele uitdrukking opgenomen. Enkele voorbeelden zijn bloc: en bloc, wijle: bij tijd en wijle, arren: in arren moede, nippertje: op het nippertje.

Uitdrukkingen met oude naamvalsvormen
Sommige uitdrukkingen worden nog geschreven volgens verouderde grammaticaregels; de oude naamvalsvorm wordt in de hedendaagse spelling nog steeds gebruikt. Van zulke uitdrukkingen zijn er relatief veel in de Woordenlijst opgenomen. Enkele voorbeelden zijn aan den lijve, te allen tijde, onzes inziens, op den duur.

Namen
Persoonsnamen, namen van bedrijven en producten, aardrijkskundige namen en andere eigennamen worden met een beginhoofdletter geschreven, maar voor het overige zijn ze niet onderworpen aan de officiële spellingregels van het Nederlands. Ze zijn dan ook zeer terughoudend opgenomen. Een beperkt aantal is opgenomen om uitsluitsel te geven over de naamstatus en daardoor over de al dan niet verplichte hoofdletter. Dat geldt bijvoorbeeld voor namen van feestdagen, zoals Kerstmis, Pasen, Divali, Moederdag. Namen van historische perioden krijgen volgens de spellingregels geen hoofdletter en ook daarvan is een aantal voorbeelden opgenomen: krijt, middeleeuwen, renaissance.

Van aardrijkskundige namen (geoniemen) zijn de gebruikelijke afleidingen (inwoner, bijvoeglijk naamwoord) opgenomen, maar niet de naam zelf. De spelling van deze namen is namelijk niet officieel vastgelegd in het Nederlands. De opgenomen afleidingen sluiten aan bij de in Nederland en Vlaanderen gangbare spelling(en) van de naam, zoals die door de Taalunie is/zijn vermeld in de lijst van buitenlandse aardrijkskundige namen (taaladvies.net/taal/aardrijkskundige_namen). Een voorbeeld: Saoedi-Arabisch, Saudi-Arabisch.

Ten slotte zijn voor de duidelijkheid enkele eigennamen opgenomen als van die naam een zelfstandig naamwoord is afgeleid dat met een kleine letter wordt gespeld. Enkele voorbeelden: kleinduimpje/Klein Duimpje, donjuan/Don Juan.

Verbogen en vervoegde vormen

Bij werkwoorden en bij zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden zijn de belangrijkste verbogen en vervoegde vormen opgenomen als die gevonden zijn in het Corpus Hedendaags Nederlands van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie. Door de omvang en de gevarieerdheid van die tekstverzameling zijn daarin soms ook onalledaagse woordvormen aangetroffen, zoals reuzenradje. Als een vorm ontbreekt, wil dat niet per se zeggen dat die geen bestaansrecht heeft of onjuist is. Door toepassing van de regels voor woordvorming kan de taalgebruiker de betreffende vorm zelf maken.

Bij werkwoorden zijn de onvoltooid tegenwoordige en onvoltooid verleden tijden en het voltooid deelwoord opgenomen. Bij bijvoeglijke naamwoorden wordt de buigingsvorm vermeld, die bestaat uit de grondvorm + -e (groene, volle, dode) en bij zelfstandige naamwoorden zijn in veel gevallen het meervoud en de verkleinvorm gegeven. Wanneer het trefwoord de vorm heeft van een meervoud of een verkleinvorm, komt de grondvorm niet voor. Voorbeelden zijn contreien, X-benen, nieuwtje, ommetje.

Woorden met en zonder tussen-s

Een aparte plaats nemen de woorden in die zowel met als zonder tussen-s voorkomen. Voorbeelden zijn belasting(s)druk, rund(s)vlees, schaap(s)herder. Dit is eigenlijk geen spellingkwestie, maar een uitspraakkwestie. Wie een dergelijk woord dus met een tussen-s uitspreekt, mag deze ook schrijven. In de Woordenlijst Nederlandse Taal zijn 180.000 woorden verzameld die voorkomen in gepubliceerde teksten. Bij het selecteren van de woorden die daarin zowel met als zonder tussen-s voorkomen, is rekening gehouden met de frequentie en met het aantal keren dat een woord is opgezocht in de online Woordenlijst. Als van een paar als belastingtarief/belastingstarief slechts één vorm opgenomen is, houdt dat in dat de opgenomen vorm gangbaarder is dan de andere. Het betekent niet dat de niet-opgenomen vorm niet kan bestaan of onjuist is.

Weergave van de trefwoorden en woordvormen

De trefwoorden worden onderscheiden op grond van formele kenmerken:

  • spelling: ook kleine verschillen, zoals hoofdletter of kleine letter, punt of geen punt, leiden tot afzonderlijke trefwoorden; voorbeelden: zo, zo.; hivpositief, hiv-positief; Kreeft, kreeft.
  • woordsoort: zijn, vnw.; zijn, ww.
  • lidwoord: de kapitaal (hoofdletter); het kapitaal (som)
  • woordgeslacht: de hoop (verwachting); de hoop, (m.) (stapel)
  • vervoeging/verbuiging: scheppen, schiep; scheppen, schepte

Als er meer trefwoorden zijn met precies dezelfde vorm, zijn ze afzonderlijk beschreven.

In het trefwoord en in de verbogen en vervoegde vormen ervan, wordt met een puntje [de afgebroken vorm is met een klik oproepbaar, resp. te onderdrukken; dat hoeft hier niet te worden vermeld] de plaats aangeduid waar het woord aan het eind van een regel kan worden afgebroken. Als de spelling door afbreken kan veranderen, is dat als volgt weergegeven: creëren [cre·e·ren], cafeetje [ca·fé·tje], ministeriële [mi·nis·te·ri·e·le], fotootje [fo·to·tje]. In deze voorbeelden kunnen de woorden op de volgende manieren worden afgebroken: cre-eren, creë-ren; ca-feetje, café-tje; mi·nisteriële, minis·teriële, ministe·riële, ministeri·ele, ministerië·le; fo·tootje, foto·tje.

Soms is de betekenis kort aangeduid; dat is in elk geval altijd zo bij afkortingen en bij woorden die gemakkelijk met een ander woord verward kunnen worden. De overige informatie is afhankelijk van het type trefwoord.

Afkorting
Na een afkorting volgt de uitgeschreven vorm, bijvoorbeeld ADHD (attention deficit hyperactivity disorder), a.d.h.v. (aan de hand van). Als het gaat om een zelfstandig naamwoord dat de vorm van een afkorting heeft, wordt ook de bij die woordsoort gebruikelijke informatie gegeven.

Zelfstandig naamwoord
Een zelfstandig naamwoord wordt voorafgegaan door het bepaald lidwoord, of door de beide lidwoorden, als er meer mogelijk zijn (de/het aanrecht, koliek, liniaal, matras). Bij sommige Surinaams-Nederlandse zelfstandige naamwoorden die altijd zonder lidwoord voorkomen, staat geen lidwoord.

Als een trefwoord de meervoudsvorm heeft, staat er (mv) achter, bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden (mv). Na het trefwoord staat tussen haakjes het woordgeslacht of genus dat hoort bij het lidwoord ‘de’: (m) = mannelijk, (v) = vrouwelijk. Als zo’n afkorting ontbreekt, zijn beide mogelijk: waakvlam, tafel, waanzinnige. Het genus van het-woorden is altijd onzijdig, dit wordt niet apart aangegeven, tenzij het woorden betreft die ook mannelijk of vrouwelijk kunnen zijn. In die gevallen wordt het woordgeslacht vermeld als (m/o) of (v/o).

Daarna worden − indien opgenomen − het meervoud en de verkleinvormen weergegeven. Als er meer mogelijk zijn, staan die in alfabetische volgorde: dosis, doses, dosissen; ziekte, ziekten, ziektes; bloem, bloemetje, bloempje. De volgorde geeft dus geen voorkeur of gebruiksfrequentie weer.

Bijvoeglijk naamwoord
Bij bijvoeglijke naamwoorden wordt de woordsoort aangeduid met ‘bnw.’ Daarna volgt de verbogen vorm − als die voldoet aan de selectiecriteria − behalve als die op dezelfde manier wordt gespeld. Voorbeelden: dom, domme; groot, grote; chic, chique. De vergrotende en de overtreffende trap zijn gegeven als ze voldoen aan de selectiecriteria.

Werkwoord
Bij werkwoorden worden alle vervoegde vormen gegeven van tegenwoordige en verleden tijd, voor zover ze voldoen aan de selectiecriteria.

Overige woordsoorten
Bij een bijwoord, voorzetsel, lidwoord, telwoord, voegwoord, voornaamwoord en tussenwerpsel wordt alleen de woordsoort aangeduid. Bij symbolen, zoals mg, km, Hz is geen woordsoort gegeven.

Taaladviezen
Bij een beperkt aantal trefwoorden is een link opgenomen naar een taaladvies op taaladvies.net.

Verantwoording

De totstandkoming van de Woordenlijst Nederlandse Taal vond plaats onder verantwoordelijkheid van de Commissie Spelling van de Nederlandse Taalunie. Deze commissie bestond uit Tanneke Schoonheim (voorzitter), Dirk Caluwé, Dominiek Sandra en Wouter van Wingerden. De praktische werkzaamheden zijn uitgevoerd door het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL). Voor frequentiegegevens is vooral gebruikgemaakt van het Corpus Hedendaags Nederlands; ten behoeve van de samenstelling van de Woordenlijst zijn deelcorpora aangelegd van Surinaams-Nederlands en Caraïbisch-Nederlands.

Voor de selectie van het materiaal uit Suriname en van de Caraïbische eilanden werd de Commissie Spelling ondersteund en geadviseerd door plaatselijke deskundigen. In Suriname heeft het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling een werkgroep ingesteld die bestond uit Lila Gobardhan, Robby Parabirsingh, Nita Ramcharan, Anne-Marie Sanches en Marieke Visser. Renata de Bies gaf waardevolle adviezen met betrekking tot de spelling van dit gedeelte van de Nederlandse woordenschat.

Voor het Antilliaans-Nederlandse materiaal is samengewerkt met de FPI, Stichting voor Taalplanning. De selectie is gemaakt door Christa Weijer en kritisch beoordeeld door Sidney Joubert, Eric Mijts, Wim Rutgers en Giovanni Delany. Voor de uiteindelijke selectie en spelling van alle woorden in de Woordenlijst is de Commissie Spelling verantwoordelijk.

Dr. Tanneke Schoonheim
Voorzitter Commissie Spelling