0-9·A·B·C·D·E·F·G·H·I·J·K·L·M·N·O·P·Q·R·S·T·U·V·W·X·Y·Z | Inrichting van de Woordenlijst | Erratalijst
uit·be·ste·den, ww., be·steed·de uit, uit·be·steed
uit·be·ste·ding, de[v.]
uit·be·ta·len, ww., be·taal·de uit, uit·be·taald
uit·be·ta·ling, de[v.], uit·be·ta·lin·gen
uit·bij·ten1 (vrijmaken door het hakken van bijten), ww., bijt·te uit, uit·ge·bijt
uit·bij·ten2 (andere bett.), ww., beet uit, be·ten uit, uit·ge·be·ten
uit·bla·zen, ww., blies uit, blie·zen uit, uit·ge·bla·zen
uit·blij·ven, ww., bleef uit, ble·ven uit, uit·ge·ble·ven
uit·blin·ken, ww., blonk uit, uit·ge·blon·ken
uit·blin·ker, de[m.], uit·blin·kers
uit·blink·ster, de[v.], uit·blink·sters
uit·bloei·en, ww., bloei·de uit, uit·ge·bloeid
uit·blus·sen, ww., blus·te uit, uit·ge·blust
uit·blut·sen, ww., bluts·te uit, uit·ge·blutst
uit·boe·ten, ww., boet·te uit, uit·ge·boet
uit·bol·len, ww., bol·de uit, uit·ge·bold
uit·bo·ren, ww., boor·de uit, uit·ge·boord
uit·bor·ste·len, ww., bor·stel·de uit, uit·ge·bor·steld
uit·bot·ten, ww., bot·te uit, uit·ge·bot
uit·bouw, de[m.], uit·bou·wen
Meer weten over de spelling?